Het standaard van de boxer dateert uit 1905, en is in al die jaren ongewijzigd gebleven, behalve het gedeelte van de oren en de staart. Ook een verandering van de laatste jaren is dat de miskleuren grotendeels blijven leven. Wanneer het stamboek in Nederland gesloten is, is niet helemaal duidelijk. Het ras is heel lang een “Type” geweest. Het aantal onverwante honden (founders) waarmee het boxer ras is opgebouwd is niet te achterhalen. 

RSI, de Ras Specifieke Instructies, waar keurmeesters verplicht tijdens een show op moeten letten. Enkele punten die voor alle rassen gelden zijn bv. Disharmonie in constructie, vrije en normale, geluidloze ademhaling maar ook geen overgewicht, geen agressie of angstig gedrag en geen strakke lijnen in de show ring. Vooral dat laatste geeft wat stof tot discussie 😉 . 

In Nederland is de ringmeester de “baas” in de ring, in Duitsland is het juist de keurmeester die het voor het zeggen heeft. Het blijkt dat er in rasgroep 2 behoorlijk wat aangebrande handlers/eigenaren kunnen zijn die op sommige punten niet eens zijn met de keurmeester of ringmeester. Het verbaast mij als ik hoor dat er niet of minder gehandhaafd wordt enkel om de agressieve reacties van eigenaren te voorkomen. Dat er keurmeesters/ringmedewerkers angst hebben opgewacht te worden bij de auto…. en dat er om deze reden er keurmeesters of ringmedewerkers zijn die rasgroepen 2 of bepaalde rassen niet eens meer willen keuren. Persoonlijk vind ik dit te erg voor woorden dat “wij” zo te boek staan. 

De RSI zijn opgezet om overdrijvingen in alle rassen te voorkomen, en een aantal rassen wordt specifiek benoemd waaronder de boxer! En dat betekent dat er extra gelet zal (moeten) worden op ademhalingsproblemen (bos) en huidirritaties (allergieën). Voor de boxer staat de snuit uitgebreid omschreven in de standaard; “hoe meer de snuit breedte de schedel breedte benadert, hoe beter het is. Daar mag echter de daarbij behorende snuitdiepte niet onder lijden.” En misschien dat het hier zo nu en dan al fout gaat, op de tekening staat te lezen 1:2, dat betekend dat de lengte van de snuit 1/3 is van de lengte van het totale hoofd 3/3. 

Maar hoe ziet dat er dan inwendig uit?! Hoewel het fokken van korte snuiten aan de buitenkant eenvoudig is, is het onmogelijk de binnenkant net zo kort te fokken. Met andere woorden, aan de binnenkant blijft alles het zelfde, behalve de ruimte die het heeft om goed te kunnen functioneren. De tong zal niet korter worden evenmin het verhemelte. De luchtpijp zal hierdoor worden afgeknepen, waardoor de boxer minder lucht binnen kan krijgen. Daarnaast is er een onderzoek gepubliceerd dat bloedingsziekten/stollingsziekte een directe verband heeft met kortsnuiten. Iets om zeker over na te denken. Het fokken op de wat langere neus is zeker voor het welzijn en de gezondheid van een boxer een ding waar veel fokkers serieus over na moeten denken! http://dogzine.nl/nl/nieuwsartikelen/stollingsproblemen-bij-kortsnuiten 

Naast de buitenkant gebeurt er aan de binnenkant nog veel meer wat niet met het blote oog te zien is, de genen, een hond heeft ongeveer 19.700 unieke genen, een mens daarentegen ca. 20.000 genen. Dat is maar een verschil van 300 ! Diversiteit in de genen is heel belangrijk. De boxer populatie tussen 2006 en 2016 is ronduit schokkend! De huidige populatie in Nederland bedraagt ongeveer 10.136 boxers, berekend tussen 2006 en 2015, 2016 was ook meegenomen maar was nog niet up to date bij de raad van beheer. 

Opvallend is dat het aantal pups is afgenomen van 1191 in 2006 naar 781 puppen in 2015. Deze daling is ook terug te zien bij het aantal nesten dat er per jaar geboren is. In 2006 waren dat er nog 238, en in 2015 nog maar 174! De reden van deze daling is niet duidelijk. Aangenomen wordt dat dit deels te maken heeft met het stoppen van een aantal “grote” fokkers. Anderzijds kan het er ook mee te maken hebben dat er meerdere teven leeg blijven, of vroegtijdig, dus voor de 10 dagen oud, komen te overlijden (na die 10 dagen worden ze bij de Raad van beheer wel genoemd, maar als onbekend in de kleur verwijzing). Met het overzicht van het aantal nesten en het aantal pups kan er gekeken worden wat de gemiddelde nestgrootte is over de genoemde jaren; 4.9. Dit is opvallend omdat er toch aardig veel nesten zijn met maar 1 pup. 

Daarna is er gekeken hoeveel reuen er zijn gebruikt, hiervan is een top 10 gemaakt, waarin de absolute eerste plaats gaat naar een reu die maar liefst 87 x (nationaal) is gebruikt in deze tien jaar, en hiermee 473 pups heeft vererft, dat is ongeveer de helft van wat er in  1 jaar aan pups geboren is in deze periode.  

Het is raadzaam om een reu niet meer dan 5% invloed te laten hebben per generatie, dus per 2 a 3 jaar, omdat anders een probleem te snel kan verspreiden in een ras. Als we het ras gezond willen houden zal er een fokbeperking moeten komen voor de reuen. Met het aantal nesten en het aantal pups kun je dit uitrekenen.  Voor 2006 zou dit maximaal 6 nesten per reu zijn geweest en dit bouwt af, omdat er minder pups/nesten geboren zijn in 2015 naar maximaal 4 nesten! Op die manier krijg je een betere spreiding en dus een bredere genenpoel. 

Het is zelfs beter om vooral jonge reuen nog meer te beperken in de eerste jaren van hun dek ”carrière”. Op dit moment zijn er geen dek beperkingen voor de reu, waardoor deze extremen ook mogelijk zijn. Bij de boxer is er volgens het VFR een selectie op Gezondheid, Gedrag en Uiterlijk. Er zijn dan ook veel meer reuen nodig dan het huidige aantal wat ingezet wordt in de fok. Met een dekbeperking zou er automatisch meer spreiding zijn van de reuen. Fokkers moeten er in ieder geval naar streven om van ieder nest ten minste 1 reu als dekreu in te zetten, het aankeuren door middel van een fokgeschiktheidskeuring dan ook zeker een pré!. Op die manier komen alle punten in beeld, niet alleen de positieve maar ook de negatieve waarmee een goede combinatie gemaakt kan worden. 

Selectiemethode; Met het fixeren van genen, maken we een ras. Bij de domesticatie van de wolf zijn 5% aan variatie in genen verloren gegaan en bij de vorming van de verschillende hondenrassen nog eens 35% verlies. Het gevolg hiervan is dat de diversiteit af neemt en hierdoor de Homozygote toe neemt. Hierdoor is het makkelijk om extremen te fokken. Extremen als bv de korte snuit van onze boxers. Mooi toch zou je denken, fokkers willen een zo uniform mogelijk nest, dat is wat we willen. Bijna, goed. Homozygote leidt tot de uiting van ziektes. Want, minder genen is meer homozygote, dus gelijke genen. Deze gelijke genen kunnen ook zieke genen zijn, meer zieke genen is meer ziekte in het ras. Immers de kans dat 2 van deze zieke genen bij elkaar komen is vele malen groter. Meer homozygote genen in een cluster vergroot de kans op genetisch gelijke clusters en daarmee de uiting van polygene aandoeningen. 

******een pup krijgt van iedere ouder de helft aan genen door. Een ouder kan een drager (dus geen symptomen van een ziekte) zijn. Als beide ouders drager zijn, en toevallig beide zieke genen doorgeven, heeft de pup 2 zieke genen, en is dus een lijder (vertoont en lijd aan de symptomen van een ziekte) in percentages is het voor het nest het volgende; 25% kans op lijders, 50% kans op dragers en maar 25% kans op vrije gezonde genen******

Helaas zijn de genen niet zichtbaar. Bij onze boxer is er enkel selectie op fenotype, dus het uiterlijk, het karakter en de werkeigenschappen als ook de meetbare gezondheid als hart en HD. Helaas is deze manier van selecteren niet goed omdat er te veel uitsluitingen zijn. Fokkers zijn geneigd enkel de HD, hart en spondylose vrije reuen te gebruiken, als ook enkel de uitblinkers in show en werkeigenschappen. Dit uitsluiten betekent dus genen verlies en genenverlies is niet goed voor een gezonde populatie, maar genenverlies is wel goed voor het fenotype het uiterlijk. Het is dan maar net, wat je als fokker het belangrijkste vind….. 

Goed selecteren is lastig, want je kan immers enkel selecteren op wat je ziet, de kans dat je iets anders mee selecteert is groot. Veel fokkers gebruiken de term Lijnteelt, maar wat is dat eigenlijk? Ze gebruiken dan een reu die ergens in de stamboom ook al eens is gebruikt. Dit noemt men ook wel eens op dubbelen. Het is een populaire manier om een bepaald type vast te leggen (homozygote). Beter is deze manier van fokken bekend als inteelt. 

Inteelt kan een zinnig instrument zijn als je bepaalde eigenschappen (type) wilt vast leggen. Maar helaas worden er daarnaast altijd andere eigenschappen vastgelegd die niet altijd positief zijn. Als een reu zo vaak is gebruikt, is het bijna onmogelijk om geen inteelt te hebben. Immers deze reu kan de overgroot opa van vaders kant zijn, maar wellicht ook de vader van de moeders kant. Inteelt zorgt op den duur voor een inteeltdepressie. Dit betekend een algemene achteruitgang van het ras, waarin vaak de honden kleiner worden. Maar ook minder vruchtbaar, een kortere levensduur en meer gezondheidsproblemen. 

Enkele signalen van deze gezondheidsproblemen zijn allergieën en tumoren. Twee problemen waar een ieder die een boxer heeft of kent wel eens mee te maken heeft gehad, en voor vreest. Maar ook het minder oud worden van de boxer is een veelvoorkomend onderwerp in verschillende fora. Door inteelt is er te weinig genenvariatie, hoe homogener een ras is, hoe groter de kans is op een verzwakt en slecht immuunsysteem. Het probleem zijn dus niet de verkeerde genen, maar juist het ontbreken van verschillende genen! !! Omdenken dus! 

Variatie is dus nodig voor een gezond immuunsysteem, dit zorgt voor een lagere kans op de uiting van ziektes, zorgt voor grotere nesten, hogere levensverwachting, betere fertiliteit en vooral een betere gezondheid van een ras. Het is niet moeilijk om de genetische basis zo breed mogelijk te houden, de meest simpele tip is om bij voorkeur de eerste drie generaties geen familie te gebruiken, en beter zou nog 5 generaties zijn. In de praktijk betekent dit dus minimaal 8 verschillende grootouders. Helaas is dit niet de “redding” van het ras. Voor een gezonde populatie, in een gesloten stamboek, zijn er minimaal 1000 onverwante dieren nodig, en daarbij minimaal 100 onverwante reuen, maar vooral is er een gelijkmatige spreiding van fokdieren nodig. 

In de praktijk is er geen ras die dit heeft. Voor onze boxer is het nu noodzakelijk dat er meer spreiding komt, door het terugbrengen van het aantal nesten en het terugbrengen van de verwantschap maar ook het beperken van het aantal dekkingen per reu. Dit maakt dat er meer verschillende reuen ingezet zullen worden. Maar ook het minder sterk aan de eisen willen vasthouden. Nooit te veel willen uitsluiten. Lijders van een ziekte zijn makkelijk te voorkomen. Als men maar openheid geeft en test, dragers kunnen heel goed bruikbaar zijn, als men het maar weet! Openheid is dan zeer belangrijk. Meten is weten!! 

***** Een voorbeeld kruising tussen een drager en een vrije hond, hiermee heb je 50% kans op dragers, en 50% kans op vrije dus gezonde pups. De lijders, dus zieke honden, die in het eerdere voorbeeld genoemd werden (25%) zijn er dan niet meer, en de vrije dus gezonde honden zijn met 25% gestegen! **** 

Meer info over het berekenen; http://labradornet.com/ic-dummies.html Voor toekomstige pupkopers; vraag naar de inteeltcoefficient! Als er geen enkele verwantschap tussen de ouders bestaat (vader en moeder hebben geen gemeenschappelijke voorouders) is de IC 0 %. Slechts bij langdurige zware inteelt (bijvoorbeeld elke generatie opnieuw broer-zus paring) zullen IC’s in de buurt van 100 % worden bereikt. Meer info; http://www.gencouns.nl/artikelen/2004%20LP%20Inteelt.pdf 

Deze lezing gegeven in 2017 en was voor iedere aanwezige een eyeopener, Marjoleine Roosendaal is een boeiende spreker, en nadien is er nog lang nagepraat over de stand van zaken van de boxer.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *